Schaatsers op antieke tegels

Wat moeten de liefhebbers van schaatsen  in de 17e eeuw gelukkig geweest zijn in Nederland. West-Europa kende in die tijd een kleine ijstijd dus er waren behoorlijk wat winters waarin het zo hard vroor dat men in grote delen van het land op het ijs op kon om te schaatsen. Schaatsen was een nationale sport dat blijkt wel uit de vele schilderijen die gaan over schaatspret. Dit is misschien ook de reden, dat er vanaf de eerste helft van de  17e eeuw flink wat schaatsers werden afgebeeld op antieke wandtegels. Maar ijspret moet ook in de periode van 18e t/m 20e eeuw populair geweest zijn want ook in die eeuwen vinden we veel  voorstellingen van schaatsen terug op tegels. Wat opvalt bij de 17e eeuwse afbeeldingen van schaatsers op tegels is dat veel personen  van achteren staan afgebeeld.

Schilderij van Hendrick Avercamp. Winterlandschap met ijsvermaak


Schaatsende vrouw op ijs met struikjes waar een vogel in zit. Datering: 1e helft 17e eeuw. Er zijn maar weinig polychrome tegels
met schaatsers bekend.
Coll. J. Holtkamp.

Schaatsers op antieke tegels, 17e eeuw


Schaatsers op antieke tegels, 18e/19e eeuw


Schaatsers op tegels: Koek en Sopie tent

Onder een 15-tal tegels die te maken hebben met het begrip koek en sopie. Vanuit dit soort ijskraampjes werd in de 17e t/m de 19e eeuw koek en sopie aan schaatsers verkocht. Sopie komt van het woord soopje, hetgeen betekent slokje dan wel borrel of neutje. Het was gewoon dat men vroeger tijdens het schaatsen flink wat alcohol innam. Dat kon b.v. punch zijn maar ook jonge of oude jenever dan wel gin.  De verkopers van gin en jenever speelden daar uiteraard op in getuige de onderstaande advertentie van de Kuypers Gin. Op vier van de vijf tegels hangt voor de kraam een kookpan aan een haal of ketting boven het vuur. Wellicht werd daar snert of chocolademelk in warm gemaakt om te verkopen.


Schaatser achter slede (datering: ca. 1910)



Tegeltableau van een winterlandschap met koek en sopie tent. Westraven Utrechts omstreeks 1e helft 20e eeuw. Is onderdeel van een serie van vier tableaus in de categorie zomer, herst, winter en lente.


Plaquette van een tafereel met kolvende mannen en schaatsers
op het ijs. Tiemen Meinsma. Ca. 1920. Makkum.

Plaquette van een tafereel van een ijsgezicht met schaatsers en arresleden. Makkum, Tiemen Hiemstra ca. 1886.
Afbeelding 60 x 50 cm. 

Plaquette van een tafereel van schaatsers, sleetjes en een arreslee. Makkum,Tiemen Hiemstra ca. 1886. Afmeting: 57,5 x 48,5 cm.

Plaquette van een tafereel van schaatsers, idem als vorige afbeelding in blauw. Nu in kleur en de spons in contra gebruik. Makkum, Willem ten Zweege rond 1875. Afmeting: 57,5 x 48,5 cm. 


De strengste winters van de 20e eeuw

IJspret op de Reeuwijkse Plassen in Januari 2009

 

 

 

Het lijkt erop, dat de winters steeds zachter worden. Echt strenge winters hebben we al flink wat jaren niet meer gehad en de voorspellingen zijn dat dit er ook niet meer zo snel inzit door de klimaatsveranderingen die gaande zijn op onze wereldbol. De winter van het afgelopen jaar staat me nog gegrift in het geheugen. Flink wat ijspret in het Groene Hart. We konden een week genieten met overal veel schaatsplezier.

Ik heb eens uitgezocht hoeveel strenge winters er in de 20e eeuw zijn geweest in combinatie met gereden Elfstedentochten.


1908/1909

2 Januari 1909 werd de eerste Elfstedentocht gereden georganiseerd door de Friese IJsbond.

1911/1912

7 Februari 1912 werd de Elfstedentocht gereden nu georganiseerd door de Vereniging de Friesche Elfsteden.

1916/1917

Een strenge winter in de 1e wereldoorlog. Zo streng dat er een Elfstedentocht kon worden verreden. Dat gebeurde op 27 januari 1917.

1928/1929

De strenge vorst zet in de loop van Januari flink door zodat op 12 februari 1929 de Elfstedentocht gereden kan worden. Dat gebeurde onder zeer matige weersomstandigheden. Harde oostenwind met tijdens de start temperaturen van min 18 graden. 

1933/1934

 Hoewel de winter van 1933/1934 minder streng was kon er toch ook in die winter een Elfstedentocht worden gereden en wel op 16 december 1933.

1939/1940
1940/1941
1941/1942

Drie strenge winters op een rij in de 2e wereldoorlog. Op 30 januari1940 wordt de Elfstedentocht gereden. Het weer was op die dag bar en boos. Strenge vorst, harde wind uit het oosten en sneeuwval. De winter van 1940/1941 was opnieuw een koude. Veel nachten met strenge vorst en veel sneeuwval. Opnieuw wordt er een Elfstedentocht gereden en wel op 6 februari 1941. De omstandigheden waren perfect. De winter van 1941/1942 was veel extremer dan de twee ervoor. Van tien tot zevenentwintig januari 1942 is er elke nacht flink wat vorst met temperaturen onder de min 20 graden. En opnieuw wordt er een Elfstedentocht gereden en wel op 21 januari 1942. Ook deze werd onder uitstekende weersomstandigheden verreden.

1946/1947

Al in december begon het flink te winteren. Voor de Kerst dacht men al aan een Elfstedentocht totdat er dooi inviel. Met die  verschillende  dooiperioden tussendoor duurde de winter lang. Tot half maart 1947. 9 Februari 1947 werd de Elfstedentocht uiteindelijk toch gereden. Onder barre weersomstandigheden. Veel deelnemers kregen last van bevriezingsverschijnselen.

1953/1954

3 Februari 1954 werd de Elfstedentocht gereden.

1955/1956

Tot aan Januari 1956 stelde de winter niet veel voor. Maar dat veranderde eind Januari drastisch. Het werd steeds kouder en dat duurde verschillende weken. Op 14 februari 1956 werd er weer een Elfstedentocht gereden. De omstandigheden waren niet slecht. De koudste nacht van de 20e eeuw werd in De Bilt gemeten op 16 februari 1956 n.l. min 25,8 graden.

1962/63

In de derde week van december 1962 stroomde er koude lucht Nederland binnen en begon het flink te winteren. Eind december waren er enorme sneeuwstormen die het volledige land verlamden. In combinatie met dagenlange harde wind ontstonden en hoge sneeuwduinen. Met een dooiperiode in de eerste helft van Januari zette de winter daarna in alle hevigheid door. Halverwege Januari werd de Elfstedentocht gereden onder barre omstandigheden. De temperatuur was min 18 graden met harde wind. Na een korte dooiperiode daarna zette de winter begin februari pas echt in en die duurde tot ver in Maart.

1978/1979

Veel jongere mensen herinneren die winter nog wel. Vanaf begin Januari vriest het een aantal nachten ruim 20 graden onder nul. Dooi en vorst wisselen elkaar af. Er is deze winter veel sneeuwval en ijzel. Maar tot een Elfstedentocht komt het niet door de vele sneeuw en daardoor gevaarlijke situaties. 

1984/1985

Een winter waarbij strenge vorst en dooi elkaar nogal afwisselden. Er was veel Elfstedenkoorts maar een paar keer ging het feest niet door. Maar uiteindelijk werd de Elfstedentocht toch gereden en wel op 21 februari 1985 ondanks invallende dooi.

1985/1986

Het begon al in november te winteren, de hele maand lang. Maar de winter zette niet door. De februarimaand was een van de koudste van de 20e eeuw. Hoewel het er door invallende dooi niet naar uitzag werd de Elfstedentocht toch op 26 februari 1986 gereden. Onder fantastische weersomstandigheden. Prins Alexander behoorde ook tot de deelnemers die de tocht der tochten uitreed.

1996/97

De winter zette al in december in maar was toen nog aan de zachte kant. Eind december veranderde dat. Begin Januari begonnen met een paar verschrikkelijk koude nachten. In tijd van een paar nachten ontstond er zo'n dikke laag ijs dat men al een Elfstedentocht begon te denken. Dat werd al op 4 januari een feit. Men heeft toen de goede beslissing genomen want na die datum was er nog amper sprake van winterse omstandigheden.

2011/12

Het leek een van de zachtste winters te worden sinds 1900. Maar begin februari viel de winter in en de Elfstedenkoorts sloeg helemaal toe. Het leek de goede kant op te gaan. Het Elfstedencomité was al volop bezig met voorbereidingen. Maar uiteindelijk ging het feest niet door omdat het ijs in het zuidelijke deel te slecht was en de dooi in ging vallen.


Schaatsers in het Groene Hart van West-Nederland. Op de achtergrond een grote groep meerkoeten.


Tegeltje openluchtje met een maat van 10 x 10 cm. Gemaakt
bij Westraven te Utrecht. Met schaatsers in kleur en een kind
op een slede in een landschap. Datering: ca. 1900

Tegeltje openluchtje met schaatsers in een landschap. Maat 13 x 13 cm. Exact dezelfde voorstelling als de tegel links. Gemaakt bij Westraven te Utrecht.  Datering: ca. 1900


Tegel met een schaatsende man achter een slede en een persoon die door het ijs is gezakt. Productie: Van Hulst Harlingen omstreeks 1900. Het bijzondere aan deze tegel is de groene inkleuring van de personen en de spinnenkopjes.

Duwslee. Ca. 1800



Een Schaatstraditie in samenhang met Goudse pijpen

Beschilderde dubbele krulpijp met de kleuren van de 
Nederlandse vlag. Hielmerk DW. Maker P. Goedewaagen

Halflange pijp waarvan de steel is verbogen tot dubbele 
krulpijp. Hielmerk gekroonde ES. Maker: P. Goedewaagen. 
Met een Hollands landschap van een molen aangebracht 
met een transfer.

Goudse pijpen  waren aan het eind van de 19e eeuw en begin van de 20e eeuw vooral gewild bij schaatsenrijders. Het was een traditie om op een schaatstocht een lange Goudse pijp dan wel een krulpijp te kopen. Zo'n pijp moest dan aan het eind van de schaatstocht nog steeds onbeschadigd zijn ten bewijze dat men een wel hele goede schaatser was. Dat betekende dus weinig of helemaal niet vallen want daar konden de kwetsbare pijpen niet erg goed tegen. De Goudse pijpenmakers speelden daar uiteraard op in en vervaardigden naast de lange Gouwenaars  krulpijpen in allerlei soorten en maten. Goedewaagen was een fabriek die veel krulpijpen heeft gemaakt. Ze werden o.a. verkocht in speciale kraampjes die stonden aan het begin van een uitgezette schaatstoertocht of langs bevroren watergangen waar veel schaatsers langskwamen. Veel schaatsers kwamen bij sterk ijs zelfs speciaal naar Gouda om daar in een van de tabakswinkels Goudse pijpen (en Goudse stroopwafels) aan te schaffen.

Krulpijp gemaakt door P. Goedewaagen. Niet gemerkt. 
Afwijkende kleurstelling.


De Goudsche Courant van 29 januari 1917 meldde: ”Bij duizenden kwamen ze de stad binnenglijden, overal vandaan. Een enorme drukte zoals we in jaren niet gezien hebben. Urenlang was het op de vaart een lange rij van schaatsenrijders die Gouda als einddoel hadden gekozen. Overal wapperden die zondag vlaggen; je reinste feeststemming”. Rond 1900 zijn de schaatstochten  naar Gouda ontstaan. Vooral uit Rotterdam, maar ook uit andere steden en dorpen, schaatsten tallozen naar "Tergouw" om met sprits, stroopwafels en pijpen behangen de terugtocht aan te vangen. “Die traditie bestaat nog steeds, verklaart de heer Van Vreumingen van het gelijknamige sigarenmagazijn aan de Wijdstraat. Bij sterk ijs is er nog steeds vraag naar gekrulde, gekleurde en lange pijpen. Zelfs ’s zomers komen skeeleraars hiervoor aan onze deur”. Tot de jaren dertig schaatsten de liefhebbers op hun houten Friese doorlopers tot de Westerkade en Lazaruskade. Later, toen het Gouwekanaal IJssel en Gouwe verbond en de Julianasluis was aangelegd, diende de Ringvaart als eindpunt. Vandaar gingen de schaatsers te voet naar de stad. De ongeveer twintig kilometer van Rotterdam naar Gouda werd door geoefende schaatsers in drie kwartier afgelegd. Bij terugkeer op de Kralingse Plas trok het showrijden veel bekijks; soms leidde de “show” tot valpartijen met gebroken pijpen en verdrietige gezichten tot gevolg.


Schaatsers behangen met Goudse krulpijpen, lange pijpen en Goudse stroopwafels. Foto: 1917

Halflange pijp waarvan de steel is verbogen naar een 
krulpijp. Geen hielmerk, alleen stipjes op de hiel.
 Maker: P. Goedewaagen


Beschilderd krulpijpje met de kleuren rood-wit-rood. Geen hielmerk. Op de steel de naam Goedewaagen.

Drie kleine krulpijpjes waarbij op de steel van de twee kleinste exemplaren de tekst Goedewaagen staat. 

Halflange pijp waarvan de steel is verbogen tot krulpijp. Hielmerk gekroonde ES. Maker: P. Goedewaagen


Complete en gave uit een pijpenmal geperste kleipijp, lengte ca. 40 cm van P. Goedewaagen uit Gouda. Met het bandstempel en plakker van de fabriek. Op de hielpunt het merk ES. Datering: begin 20e eeuw.

Bewerkte krulpijp met de voorstelling van een pijpmaker. Maker: P. Goedewaagen omstreeks 1900.



De vondst van een botschaats in het Reeuwijkse Plassengebied

Ook in de 17e eeuw werd er volop geschaatst.
Hier mooi te zien op een 17e eeuwse Nederlandse tegel. 
Toen nog op ijzeren krulschaatsen.

Enkele jaren geleden werd in het Reeuwijkse Plassengebied bij het graven van een vijver op een diepte van ca. 1,25-1,50 mtr in het maagdelijk veenpakket een dierlijk bot gevonden van een rund. In het bot zaten aan weerskanten twee gaatjes en zo hier daar was het bot bewerkt door afvlakking en licht afgesleten. Het betreft een botschaats. Een zeer interessante vondst want het zou kunnen betekenen dat zo tussen 800 en 1200 na Christus al mensen aanwezig zijn geweest op deze plaats. Onder voorbehoud want het verschijnen van ijzeren schaatsen in de 15e eeuw betekende nog niet het definitieve einde van de glis. Tot in de 19de eeuw werd de glis gebruikt om kinderen op een goedkope manier te leren schaatsen. Maar omdat de glis van zo'n diepte uit het veenpakket  is opgegraven lijkt het erop dat het om een zeer oud exemplaar moet gaan.



Dierlijk bot met aan weerskanten gaatjes. Op het bot zijn zo hier en daar uitstekende delen wat afgevlakt.
Het bot heeft een lengte van 24 cm en vertoont ook daadwerkelijk glijsporen van het ijs.


Uiteinde van bot met een gaatje geboord door het bot. Aan het uiteinde van het bot zijn uitstekende delen afgevlakt. Dit is door mensen zelf gedaan.

Uiteinde van bot met een gaatje geboord door het bot. Aan het uiteinde van het bot zijn uitstekende delen wat afgevlakt. 
Of dit door mensen zelf is gedaan of door afschaving door ijs is niet helemaal duidelijk.

Uiteinde van bot met een gaatje geboord door het bot. Ook zijn hier duidelijk slijtsporen te zien veroorzaakt door glijden over het ijs.


Uit archeologische vondsten is gebleken dat er al in de oertijd werd 'geschaatst'. Men bewoog zich over het ijs - niet op schaatsen, maar op glissen. Dat waren lange botten van runderen, aan twee zijden platgemaakt en van gaten voorzien. Het was toen nog vooral een kwestie van glijden. De allereerste schaatsen worden daarom glissers genoemd. Een glis is een rib of een middenvoetsbeen van een rund, paard of hert. Glissers werden voorzien van gaten en met pezen of palingvellen aan de voet bevestigd. Om het afzetten op het ijs te vergemakkelijken, werd vaak gebruikgemaakt van één of twee stokken. Later werden ook prikstokken als hulpmiddel ingezet. Glissers of botschaatsen zijn door heel Europa teruggevonden. In Nederland zijn ze waarschijnlijk vooral gebruikt tussen 800 en 1200. Glissers werden in de loop van de eeuwen steeds meer vervangen door een houten schaats met ijzeren glij-ijzer. Waarschijnlijk deed het glij-ijzer rond 1400 zijn intrede.