Beroep: Timmerlieden, schrijnwerkers, houtzagers  
(en houthakkers)


Stalen bijl van een timmerman.
17e eeuw

Op 28 oktober van het jaar 1467 op Simon en Judendag kregen timmerlieden, schrijnwerkers en houtzagers een vergunning om samen een gilde te vormen, dat St. Joseph tot schutspatroon had. Onder de timmerlieden werden oorspronkelijk zowel huis- als scheepstimmerlieden verstaan. In de loop der 17e eeuw schijnen de houtzagers en de scheepmakers zich evenwel van het gilde te hebben afgescheiden. In de lijsten der hoofdlieden, die met 1667 aanvangen, komen tenminste alleen vertegenwoordigers van de huistimmerlieden, schrijnwerkers, stoeldraaiers en blokmakers voor. Voor elk van deze groepen was een afzonderlijke meesterproef voorgeschreven. De huistimmerlieden en schrijnwerkers mochten binnenshuis en in hun winkels alle aanbestede houtwerken maken, behalve fineerwerk, dat aan de schrijnwerkers was voorbehouden. Later ontstond over het algemene karakter van deze bepaling verschil van mening met het houtkramersgilde, dat volgens zijn gildebrief uitsluitend gerechtigd was tot het maken en verkopen van draaiwerk, stoven en lijsten. Zij hadden tevens het recht om allerhande soorten van doodkisten en witwerk te maken en te verkopen, het laatste zonder gehouden te zijn de witwerkersproef te doen. Aan de andere kant was het de witwerkers niet geoorloofd timmermans- of schrijnwerk te vervaardigen.


Fotoalbum: Timmerman/houthakker op tegels, 17e eeuw


Tegel van of een timmerman ofwel een glaszetter. 17e eeuw


Fotoalbum: Timmerman/houthakker op tegels, 20e eeuw